Over de Familie Meinesz

Jelle Meinesz en nazaten in Gaasterland (vervolg).

In het vorige nummer van Mar en Klif ging de aandacht uit naar JelieMeinesz. In het bestek van dit nummerkan slechts aandacht besteed worden aan enkele van zijn nazaten. Ze hadden een zeer verschillende levensloop van koopman, vervener, ontvanger der directe belastingen, zoaLs hun vader, tot boer, vrederechter en burgemeester. Ook aan de karakteristieke problemen van de 1ge eeuw zoals de grote kindersterfte en vroegtijdig overlijden op volwassen leeftijd, spanningen in de magistratuur, de economische crisis en emigratie naar oord-Amerika, ontkwamen zij niet.

De oudste zoon Meine Meinesz(l797- L866) was kortdurend werkzaam als advocaat in Sneek en Heerenveen voor hij op 21 maart 1828 bij K.B. werd benoemd tot vrederechter in het kanton Lemmer. Een niet zo voor de hand liggende benoeming, waaraan nogal wat vooraf ging. Voor de opvolging van zijn voorganger Frederik Zacharias Reneman die in 1827 ontslag kreeg wegens machtsmisbruik, meldden zich vier sollicitanten: Idske Poppes, koopman te Balk en plaatsvervangend vrederechter in het kanton Lenuner, WiUem Carel Gerard van Welderen baron Rengers, 25 jaar oud en lid van de Provinciale Staten van Friesland, mr. Meine Meinesz, oud 30 jaar en advocaat te Heerenveen en Wiegel' van Eyck griffier van bet vredegerecht in het kanton Lemmer. De heer Rengers viel gezien zijn jonge leeftijd af. Wat Meine Meinesz betreft, werd zijn kunde geroemd, maar er was een groot verschil van mening over zijn overige kwaliteiten als persoon voor bet vrederechterschap. VoLgens de president kwam hij door "zijn goeden aanleg en voorbeeldige zedigheid' voor de benoeming in aanmerking. De officier was van mening dat dit niet het geval was gezien "hij door zijn timiden aart een weinigen geschiktheid tot publieken omgang, kwalijk voor een post berekend zal zijn, waarin hij dagelijkscb met mensenen van allerlei slag zou moeten omgaan en dien omgang zich door eene zekere mate van populariteit de agting en het vertrouwen van het algemeen verwerven". Al op 26 april 1828 richtte mr. Meinesz zich verre van timide middels een brief tot het grietenijbestuur van Lemsterland met de klacht, dat hij het "onwelvoeglijk achtte de zittingen nog langer bij den logementhouder van De Wildeman te doen plaats vinden' en met de vraag voor een "beter en convertabeler locaal", Het verzoek om hierover met het grietenij bestuur in conferentie te treden, werd afgewezen door de grietman jhr. O.R. van Andringa de Kempenaar terwijl deze op de hoogte was van het feit dat er i.v.m. de plannen tot reorganisatie van de rechterlijke macht pogingen ondernomen werden de hoofdplaats van het kanton Lemmer van Lemmer naar Sloten te verplaatsen. Het gevolg was, dat mr. Meinesz zich vijandig opstelde tegen het grietenij bestuur en nog voor beel wat meer last zou zorgen.
Zo werd in 1826 het verbod om in kerken te begraven van kracht. Het grietenijbestuur van Lemsterland kocht daarop een terrein aan bet Turfland waar in 1826 en 1827
in totaal 32 mensen werden begraven. Toen in L827 bij K.B. de eisen waaraan een begraafplaat moest voldoen bekend werden, bleek de begraafplaats in het dorp te liggen en moest een nieuwe begraafplaats buiten het dorp aangelegd worden. Op het afgekeurde terrein wilde men een school bouwen en om problemen met de bouw te voorkomen werden de 32 lijkkisten zonder toestemming opgegraven en elders op bet terrein herbegraven. Vier maanden later besloot de vrederechter mr. Meinesz, de arbeiders die het werk hadden opgeknapt te verhoren en proces-verbaal op te maken van grafschennis. Een woedende grietman informeerde hierop de gouverneur van de provincie en de officier van justitie, die geen aanleiding zagen tot vervolging. Om het grietenij bestuur te dwarsbomen, droeg hij de Lemster politieambtenaar op om in herbergen, kroegen en Logementen bekend te maken dat er geen sluitingsuur zou gelden en ze de hele nacht mochten doortappen. De grietman riep weer de hulp in van de gouverneur tegen de vrederechter, die "ondubbelzinnig te blijken geeft van vijandige gezindheid, welke dezen ambtenaar zedert den aanvang zijner betrekking tegen het Grietenijbestuur bezieLd heeft en nog steeds bezie lt". Hierop maakte de procureur-crimineel Meine duidelijk, dat hij te ver gegaan was door zich te bemoeien met bestuurlijke zaken, die niet tot zijn competentie behoorden. Het frustreerde Meine enorm, dat Lemmer de hoofdplaats bleef van zijn kanton en dat de strafzittingen plaats bleven vinden in het logement De Wildeman. Op 3 november 1830 verhuisde hij naar Sloten en liet bekend maken, dat de zittingen ij] het vervolg daar zouden plaatsvinden in het raadhuis. Een half jaar later liet de minister van justitie weten, dat de zittingen weer moesten plaatsvinden in Lemmer waarvoor in mei 1832 een lokaal in het grietenij huis beschikbaar werd gesteld. Terechtzittingen in burgerlijke zaken konden wel in Sloten gehouden worden. Uiteindelijk was de relatie tussen mr. Meinesz en het grietenij bestuur zo verstoord, dat hij in 1858 niet werd herbenoemd. Meine verhuisde in 1865 verbitterd naar zijn tuinhuis in Wielen (Koninkrijk Hannover), vlak bij de uitgestrekte venen van 350 ha, die de familie in SibcuLo en Bergentheim had.

Jolle Meinesz(l799-l851) werkte samen met zijn vader Jelle als vervener in de Groote oordwolderveenpolder en kocht met hem ook land aan. Ze bemiddelden in de verhuur van zathen en landerijen. In L831 hadden ze ook een, i.1J bezit van Jelle zijnde, neringrijke broodbakkerij in Oudega te huur.
Jolle was naast boer, grietenijontvanger van Hernelumer Oldephaert en Noordwolde en secretaris en penningmeester van het polderbestuur van de Groote Noordwolderveen­polder, dat verantwoordelijk was voor de aanJeg en het verzwaren of overtrekken van de dijken. Jolle was ook voorzitter van het Dijkbestuur van H.O. ., dat de zorg droeg voor de zeewering. In ] 839 volgde een benoeming tot Dijksgedeputeerde voor de grietenij H.O.N. en de steden Stavoren, Hindeloopen en Workum en het dorp Nieuwhuizen.

Hendrik Meinesz(1801-1864) was ontvanger der directe belastingen o.a. in Amsterdam en gold vanaf 1846 als één van de rijkste mensen van oord- mede door het bezit van veengronden in zuidoost Drente en Overijssel. Zoon Sjoerd Anne Vening Meinesz(1833-1909) was burgemeester van Rotterdam en Amsterdam en kleinzoon Felix Andries Vening Meioesz(l887-1966), bekend door diepzeeonderzoek hoogleraar in de geodese kartografie en geofysica in Utrecht.

Sjoerd Meinesz(l 804-1 829) was boer op een boerderij van de familie in ij ega. Hij stierf in 1829, 25 jaar oud, "op het alleronverwachtst aan een borstziekte" zijn vrouw Reinsk en twee kinderen, Fenna 3 jaar oud en Jelle I jaar oud, achterlatend. Reinsk hertrouwde in 1830 met Klaas Johannes Swart. Ze boerden eerst nog in ij ega en later in Harich, In 1854 emigreerden ze met hun vier jongste kinderen en een dienstbode naar Goshen in Noord-Amerika. De heersende landbouwcrisis dwong hen daar een beter leven op te bouwen. Hoewel ze Nederlands-hervormd waren reisden ze samen met de derde groep doopsgezinden uit Balk en Harich, die vanwege hun geloof naar Goshen vertrokken.
De kinderen van Sjoerd en Reinsk, Fenna(1826-1905) en Jelle Sjoerds(1828-1894) bleven in Friesland. Jelle was koopman en in bezit van hooi- en weiland in ij ega en Kolderwolde, huizen in Balk en Sloten en een scheepswerf in Sloten, Hij was wethouder in Sloten. In 1860 verloren lelie en zijn echtgenote binnen twaalf dagen hun drie jongste kinderen aan roodvonk en schreven: "De maat onzer smarte was niet vol. De Heer nam heden tot zich onze derde lieveling, ons oudste Dochtertje Sietske, nog geen zes jaren oud. Met een weemoedig harte zwijgen wij eerbiedig stil". Na een scheiding van tafel en bed in 1868 vertrok lelie ook naar oord-Amerika, zijn vier kinderen in Sloten achterlatend. Waarschijnlijk zorgde hij ervoor dat zijn moeder Reinsk in dat jaar $ lOOO leende aan de doopsgezinde Arend Nijmeijer, die in 1867 met zijn gezin vanuit Balk naar Goshen was geëmigreerd. In 1870 bleek lelie met zijn dochter Sarah (Saapje) samen te wonen in Lake Prairie en waren ze 'well to do'. Toen ze in 1886 trouwden kon Brechtje in het verre Sloten eindelijk officieel scheiden.

   

Zoon Sjoerd Jelles(l850-1938) ging naar het gymnasium in Sneek en studeerde van 1869 tot 1871 farmacie in Groningen. Zijn verlangen naar het vrije leven in Amerika en waarschijnlijk ook naar zijn vader was zo groot, dat hij zijn studie opgaf en vertrok naar de doopsgezinde Gaasterlanders in lndiana. Daar kon hij niet goed wennen. Met een aantal vrienden trok hij, al werkend en geld verdienend door Amerika en schreef prachtige brieven over zijn belevenissen naar huis. Na zijn terugkomst in 1878 vestigde Sjoerd zich in ij ega, waar hij een winkel en een fouragehandel had en een beurtvaart op Sneek en Leeuwarden met de stoomboot" De Vier Wouddorpen" onderhield. a zijn pensioen ontwikkelde Sjoerd zich als "Frysk Folksdichter' . Zijn gedichten, die hij ondertekende met M. to St., werden gepubliceerd in streekbladen en in het Friese weekblad Sljucbt en Rjucbt. Na zijn overlijden verscheen in 1941 zijn dichtbundel "It Rike lier" met een voorwoord van J. Piebenga.
Dirk JeUes( 1864-1941) was drie jaar toen zijn vader naar Amerika vertrok. Hij werd in 1887 boer in Nijega. Dirk en echtgenote gingen in 1920 rentenieren in Harich, waar ze "De Stins" lieten bouwen op de plaats waar ooit Minnemastate stond.

 


Pagina 1 Pagina 2 Pagina 4