Over de Familie Meinesz

Kolderwolde. Zo bezat hij uiteindelijk in 1838 samen met zijn zoon Jollein Oudega en Nijega op 22 nummers 609 bunder en 38 roeden land. Hiervan was 2/3 deel van hem en 113 deel van zijn zoon Jolle.
Intussen was Jelle met zijn gezin verhuisd naar een huis met houtschuur aan de Luts op nummer 20 en 21. Volgens de eerste kadastrale kaart van Balk in 1832 is hij eigenaar van huis, erf en bergplaats van wat nu Meerweg 7 is. (Kadastrale gemeente Balk, sectie A nummer 292, huis en erf en sectie A nummer 293, bergplaats.)
De verdienste van lelie Meinesz is geweest, dat hij inzag dat het land na het afgraven en uitbaggeren voor de turfwinning niet zo achtergelaten kon worden. De gebieden met petgaten, dje in Friesland overbleven na de vervening, veranderden vaak in grote waterplassen en gingen verloren voor bewoning en leidden tot armoede. Daarom richtte hij samen met anderen de Groote Noordwolderveenpolder op. Voor het drooghouden en in bedwang houden van de waterstand in de polder werden vier molens gebouwd: 'De Hersteller', 'De Hoop', 'De Voltooier' en 'De Vooruitgang'. Vanaf de brug op de Bokkelaene ziet men aan de Rien nog twee oude huisjes liggen, waarvan één zeker een oud molenhuis is. Bokkelaene is trouwens afgeleid van bok, de praam waarmee het veen en de turf werd vervoerd.


Na de vervening kon het land in de polder geschikt gemaakt worden voor het boeren­bedrijf. Voor het veen verwijderd kon worden moest eerst de bovenste laag afgeplagd worden. De afgeplagde zoden werden na de vervening over de achtergebleven laag grond heen gekruid en hiermee vermengd. Daarnaast werd h.iervoor ook per boot aangevoerde terpaarde gebruikt. Zo ontstond vruchtbaar land, waarop boerderijen gebouwd werden en de veenbaas vaak als boer ging wonen.
In latere jaren diende de Groote oordwolderveenpolder als voorbeeld bij de verven ing van het vierde en vijfde veendistrict JEngwirdum bij Heerenveen.
De veenarbeiders, die bet uiteindelijke werk moesten doen, waren hoofdzakelijk Duitsers afkomstig uit de omgeving van Osnabrück en Münster. Ze kwamen in mei en

vertrokken weer in de herfst. Voor deze arbeiders waren bet tijden van zware arbeid en grote ellende. Ten tijde van het hoogtepunt van de veenderij rond] 840 kwam het werkvolk voortdurend in verzet. In de jaren hieraan voorafgaand was er ook al wel regelmatig onrust, vooral rond Oudega en Kolderwolde, veroorzaakt door de Westfaalse arbeiders. Dit leidde op 8 mei 1840 tot een staking onder de Duitse arbeiders, "de trekkers", die de 'inlandsche" turfmaker dwongen betzelfde te doen. Dit ging met nogal wat geweld gepaard, waarop de grietman van Hemelumer Oldephaert en Noordwolde (Ra. .) een ijlbode naar Leeuwarden stuurde om militaire bijstand te vragen. n zo aniveerde op zondag 10 mei een detachement militairen in Koudurn. Daar ze vanaf Leeuwarden waren komen lopen, moest er eerst gerust worden. Toen ze de volgende dag naar Oudega gingen, vonden ze daar opvallend weinig arbeiders. Deze waren al op de hoogte van de komst van het regiment en hadden zich verstopt in de aangren­zende bossen van Haricb. Hierop vroeg de grietman van RO.N. aan de grietman van Gaasterland of hij in diens gebied mocht optreden. Dit mocht en zo trok grietman Gerardus A. Avenhom van auta aan het hoofd van de militairen Haricb binnen om zo'n 150 arbeiders uit de bossen te verdrijven. Het duurde nog een week voor de rust terugkeerde en de staking voorbij was. In de jaren hierna werd nog een aantal keren gestaakt, waarbij de "trekkers" de "inlandsche" arbeiders van het werk afhielden en dreigden hun armen en benen te zullen breken. In 185 I en 1858 werd weer de hulp van de militairen ingeroepen om de stakers over de gemeentegrenzen te jagen. Met het afnemen van de vervening kwam ook een einde aan deze roerige tijden.


Houthandel.
Ook buiten Friesland was lelie actief. Zo leverde hij in 1826 via zijn zwager Luit je Jolles Veening (1785-1845), die ook rijksontvanger was, voor f 485.07 hout voor de restauratie van de kerk te Hellendoorn.

In Balk had hij een scheepstimmerwerf en helling, bekendstaand als 'De Helling'

Familie aangelegen beden.
Op 29 augustus 1826 overleed Finne lolles Vening op 53 jarige leeftijd "na eene genoegelijke echtverbintenis van ruim 30 jaren". Zij was een hartelijke en geliefde huis­vrouw. lelie hertrouwde op 30 maart 1828 met Eelkjen Poppes, grossierse in sterke dranken. Zij was de dochter van Bouke Pieters en Baukjen Jans Poppes en weduwe van Jan Brants van der Goot, die in 1826 was overleden.
In 1828 vond een scheiding van goederen plaats. Terwijl zoon Jolle met zijn vader de veenderijen beheerde, werkte zoon Tjeerd in de bescheiden houtnegotie van zijn vader. Bij de scheiding van goederen bleef Jolle met zijn vader de veenderijen beberen en kreeg Tjeerd de voorhanden zijnde houtvoorraad, een helling en timmerschuur de helft der contanten en pretentiën betreffende de houtnegotie. Dit leidde voor Tjeerd en zijn gezin tot een verhuizing van de Lytseside aan de Luts naar bet zesde huis naast de houtscbuur en het huis van zijn vader, nu Meerweg 8, alwaar hij een ijzerwinkel begon. lIJ hoeverre 'De Helling' met scheepstimmerwerf overging naar Tjeerd is niet
geheel duidelijk, daar Jelle in 1832 nog genoemd wordt als eigenaar van de scheeps timmerwerf. Helaas overleed Eelkjen Poppes op 27 december 1847, na een korte maar hevige ziekte van slechts vier dagen op 65 jarige leeftijd en werd Jelle, toen 76 jaar, voor de tweede keer weduwnaar. Hij schreef: Hoe groot en smartelijk mij en onze kinderen dit verlies zij, zal ieder beseffen, die de overledene in haar nuttige leven van nabij gekend heeft. De troost met de hoop eens beteren levens, ondersteune mij in mijnen hooge jaren, in deze treurige omstandigheden
Zelf stierf lelie Meinesz op 17 juli 1848 in Balk als een zeer vermogend man, die hoog in aanzien stond.
geheel duidelijk, daar Jelle in 1832 nog genoemd wordt als eigenaar van de scheeps­timmerwerf.
Helaas overleed Eelkjen Poppes op 27 december 1847, na een korte maar hevige ziekte van slechts vier dagen op 65    jarige leeftijd en werd Jelle, toen 76 jaar, voor de tweede keer weduwnaar. Hij schreef: Hoe groot en smartelijk mij en onze kinderen dit verlies    zij, zal ieder beseffen, die de overledene in haar nuttige leven van nabij gekend heeft. De troost met de hoop eens beteren levens, ondersteune mij in mijnen hooge jaren, in deze treurige omstandigheden. Zelf stierf lelie Meinesz op 17 juli 1848 in Balk als een zeer vermogend man, die hoog in aanzien stond. Nazaten van Jelle Meinesz in Gaasterland worden in het volgende nummer  beshy sproken. Hierbij alvast een voorproefje met een koartdicht van de volksdichter Sjoerd Meinesz

Nazaten van Jelle Meinesz in Gaasterland worden in het volgende nummer beshy sproken. Hierbij alvast een voorproefje met een koartdicht van de  volksdichter Sjoerd Meinesz

Der wier fen älds al neat Det mear it praet bedaar As 't pochen op yensels En 't rabjen oer in oar.
(Vanouds was er al niets Dat het praten meer bedierf Dan pochen op jezelf
En roddelen over een ander.)

Aafke F. Meinesz, Harich


 

Pagina 1 Pagina 3 Pagina 4